Waarom verandert de prijs van ERE-certificaten?
De prijs van ERE-certificaten verandert doordat vraag en aanbod op de markt voortdurend in beweging zijn. De overgang van het HBE-systeem naar het nieuwe ERE-systeem per 1 januari 2026 heeft de spelregels fundamenteel gewijzigd: waar vroeger de energie-inhoud van hernieuwbare brandstoffen centraal stond, draait het nu om aantoonbare CO2-ketenemissiereductie. Hieronder beantwoorden we de meest gestelde vragen over de waarde, de marktwerking en de kansen rondom ERE-certificaten.

Wat bepaalt de waarde van een ERE-certificaat?
De waarde van een ERE-certificaat wordt bepaald door de hoeveelheid CO2-equivalente emissiereductie die het vertegenwoordigt, afgezet tegen de vraag vanuit bedrijven die aan hun wettelijke reductieverplichting moeten voldoen. Eén ERE staat voor 1 kg CO2-equivalente emissiereductie in de keten, berekend ten opzichte van een Europees vastgestelde fossiele referentiewaarde. Hoe groter de jaarlijkse verplichting, hoe hoger de druk op de prijs.
Het ERE-systeem is gebaseerd op de Europese Renewable Energy Directive III (RED III) en verplicht bedrijven in de sectoren land, binnenvaart en zeevaart om jaarlijks een vastgesteld percentage CO2-ketenemissiereductie aan te tonen. Voor de sector land geldt in 2026 een verplichting van 14,4%, oplopend naar 27,1% in 2030. Die stijgende lat maakt ERE-certificaten structureel waardevoller naarmate de doelstellingen aanscherpen.
Daarnaast speelt het type ERE een rol in de waardering. Het systeem kent zes verschillende soorten eenheden: ERE-G (geavanceerd), ERE-C (conventioneel), ERE-B (bijlage IXb), ERE-O (overig), ERE-R (hernieuwbare waterstof en e-fuels) en ERE-E (elektriciteit). Geavanceerde eenheden, zoals ERE-G, zijn doorgaans meer waard omdat ze hogere emissiereducties vertegenwoordigen en aan strengere eisen voldoen. ERE-E, gegenereerd via het laden van elektrische voertuigen, is uitsluitend inzetbaar binnen de sector van herkomst, wat de handelsmarkt voor dit type beperkt, maar ook stabieler maakt.
Hoe werkt de markt voor ERE-certificaten?
De markt voor ERE-certificaten werkt via vraag en aanbod tussen inboekers en bedrijven met een nalevingsverplichting. Inboekers genereren ERE’s door hernieuwbare energie te leveren aan het vervoer en registreren deze in het Register Energie voor Vervoer (REV), beheerd door de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa). Bedrijven met een Brandstoftransitieverplichting (BTV) kopen deze certificaten om aan hun jaarlijkse reductiedoelstelling te voldoen.
Een belangrijk kenmerk van het ERE-systeem is de sectorsturing. ERE’s zijn in beginsel alleen inzetbaar binnen de sector waarin ze zijn gegenereerd. Dit verschilt fundamenteel van het vroegere HBE-systeem, waarbij grote volumes uit de scheepvaartsectoren de markt voor wegvervoer konden beïnvloeden en prijsdruk veroorzaakten. Door de sectorsturing is de markt voor de sector land nu stabieler en beter voorspelbaar.
Bedrijven die meer dan 2 miljoen kWh per jaar leveren, mogen zelfstandig inboeken bij de NEa. Kleinere inboekers, waaronder particulieren en bedrijven onder deze drempel, werken via een inboekdienstverlener. Begin 2026 waren circa 21 inboekdienstverleners geregistreerd bij de NEa. De marktbrede afdracht, de commissie die de inboekdienstverlener rekent, ligt doorgaans tussen de 15 en 25% van de opbrengst. Via onze ERE-inboekdienst kunnen bedrijven dit proces volledig uitbesteden.
De jaarlijkse deadlines structureren de marktactiviteit sterk. Brandstofleveringen moeten voor 1 maart worden geregistreerd, voldoende ERE’s moeten voor 1 april op rekening staan (jaarafsluiting), en de verificatie moet voor 1 mei zijn ingediend. Deze deadlines gelden voor het eerst in 2027 voor de leveringen van 2026. Rond de afsluiting ontstaat doorgaans extra vraag, wat de prijs tijdelijk kan opdrijven.
Welke factoren zorgen voor prijsschommelingen?
De prijs van ERE-certificaten schommelt door een combinatie van beleidswijzigingen, aanbodschommelingen, sectorspecifieke vraag en de jaarlijkse nalevingscyclus. Geen enkele factor staat op zichzelf: ze versterken of dempen elkaar afhankelijk van het moment in het jaar en de bredere energiemarkt.
Beleidswijzigingen en oplopende verplichtingen
De meest structurele prijsdriver is de stijgende reductieverplichting. Naarmate de percentages per sector jaarlijks toenemen, groeit de vraag naar ERE’s automatisch mee. Historisch zagen we dit al duidelijk in het HBE-systeem: de jaarverplichting steeg van ruim 74 miljoen HBE’s in 2022 naar meer dan 117 miljoen in 2024, mede door een kabinetsbesluit uit de Voorjaarsnota 2023 om de hernieuwbare energie in het wegvervoer met 20 PJ te verhogen. Vergelijkbare beleidsversnellingen kunnen ook in het ERE-systeem tot plotselinge prijsstijgingen leiden.
Aanbod en het netgemiddeld hernieuwbaar aandeel
Het aanbod van ERE-E, de eenheden gegenereerd via elektrisch laden, is afhankelijk van het netgemiddeld hernieuwbaar aandeel van de Nederlandse elektriciteitsmarkt. Voor 2026 bedraagt dit 50,5%, gebaseerd op het daadwerkelijke aandeel hernieuwbare elektriciteit in 2024. Een hoger aandeel hernieuwbare stroom op het net leidt tot meer ERE’s per geladen kilowattuur, wat het aanbod vergroot en prijsdruk kan creëren. Omgekeerd leidt een lager aandeel tot schaarser aanbod en hogere prijzen.
Seizoenspatronen en de nalevingscyclus
Rond de jaarlijkse afsluiting in april neemt de vraag naar ERE’s toe, omdat verplichtingsplichtige bedrijven hun rekening op orde moeten brengen. Dit seizoensgebonden patroon zorgt elk jaar voor een tijdelijke prijspiek. Bedrijven die ERE’s willen verkopen, kunnen hier strategisch op inspelen door eerder in het jaar te verkopen of juist te wachten op de piekperiode, afhankelijk van hun positie op de markt.
Wat is het verschil tussen ERE-certificaten en HBE’s?
Het fundamentele verschil tussen ERE-certificaten en HBE’s zit in de berekeningsbasis: een HBE vertegenwoordigde 1 gigajoule hernieuwbare energie, terwijl een ERE staat voor 1 kg CO2-equivalente emissiereductie in de keten. De overgang van energiehoeveelheid naar emissiereductie is de kern van de systeemwissel die per 1 januari 2026 van kracht werd.
Bij de overgang op 1 mei 2026 voerde de NEa de laatste jaarafsluiting onder de HBE-regels uit. Het resterende HBE-saldo op rekeningen in het REV werd daarna omgezet naar ERE’s, met de omrekenregel: 1 HBE = 46 ERE. De soort bleef behouden, wat betekent dat geavanceerde HBE’s werden omgezet naar geavanceerde ERE’s, en conventionele naar conventionele. Er vond geen omzetting naar ERE-R of ERE-E plaats.
Een tweede belangrijk verschil is de sectorsturing. In het HBE-systeem konden certificaten uit de scheepvaartsector de wegvervoermarkt beïnvloeden, omdat er geen strikte sectorscheiding was. Het ERE-systeem lost dit op door ERE’s in beginsel alleen inzetbaar te maken binnen de sector waarin ze zijn gegenereerd. Dit maakt de prijs voor de sector land minder gevoelig voor ontwikkelingen in de binnenvaart of zeevaart.
Tot slot is de fossiele referentiewaarde een nieuw element. Voor vloeibare en gasvormige brandstoffen geldt 94 g CO2-eq/MJ als referentie; voor elektriciteit is dat 183 g CO2-eq/MJ. Die hogere referentiewaarde voor elektriciteit maakt dat elektrisch laden per kilowattuur relatief veel ERE’s oplevert, wat de zakelijke laadoplossingen financieel aantrekkelijker maakt dan in het oude HBE-systeem.
Hoe kunnen bedrijven profiteren van de huidige ERE-prijzen?
Bedrijven kunnen profiteren van de huidige ERE-prijzen door het laden van elektrische voertuigen actief in te zetten als bron van ERE-E en de gegenereerde eenheden te verhandelen of te laten verhandelen via een inboekdienstverlener. Hoe meer elektrisch gereden kilometers, hoe meer ERE’s er worden gegenereerd en hoe sterker de business case voor elektrificatie wordt.
De stap naar profiteren begint met inzicht in de eigen laaddata. Bedrijven die meer dan 2 miljoen kWh per jaar leveren aan vervoer, mogen zelfstandig inboeken bij de NEa. Kleinere organisaties werken via een inboekdienstverlener en dragen doorgaans 15 tot 25% af als commissie. Het loont om aanbieders te vergelijken op commissiepercentage, serviceniveau en de mate van ontzorging die ze bieden.
Strategisch gezien is het verstandig om rekening te houden met de nalevingscyclus. Omdat de vraag naar ERE’s rond de jaarlijkse afsluiting in april toeneemt, kunnen bedrijven die ERE’s genereren overwegen om hun verkoopmoment hierop af te stemmen. Tegelijkertijd geldt: hoe eerder een organisatie start met elektrisch rijden en laden, hoe langer ze kunnen profiteren van de oplopende verplichtingen en de structureel stijgende waarde van ERE’s richting 2030.
Hoe helpt NXT Mobility bij ERE-certificaten en elektrisch laden
Wij bij NXT Mobility begeleiden organisaties van begin tot eind in de transitie naar zero-emissie vervoer, inclusief het volledig ontzorgen rondom ERE-certificaten. Of je nu net begint met de elektrificatie van je wagenpark of al rijdt op elektriciteit maar de ERE-opbrengsten nog niet benut, wij zorgen dat je geen waarde laat liggen.
- ERE-inboekdienst: Wij registreren de geladen elektriciteit in het REV en verhandelen de gegenereerde ERE-E namens jouw organisatie, zodat jij de financiële opbrengst ontvangt zonder administratieve rompslomp.
- Onafhankelijk wagenparkadvies: We analyseren je huidige wagenpark, energiebehoefte en laadpatronen en bouwen een concreet stappenplan dat de ERE-opbrengsten meeneemt in de totale business case.
- Laadoplossingen op maat: Van thuisladers voor werknemers tot slimme bedrijfslaadpleinen met Smart Charging: wij leveren, installeren en beheren de laadinfrastructuur die de basis vormt voor ERE-generatie.
- Subsidieaanvragen en administratie: Wij regelen de benodigde verificaties, registraties en subsidieaanvragen, zodat je altijd voldoet aan de deadlines van de NEa.
- Volledige ontzorging: Van adviesgesprek tot facturering en jaarlijkse rapportage: wij nemen de volledige complexiteit van je over.
Wil je weten hoeveel ERE-opbrengst jouw wagenpark kan genereren en hoe we de transitie naar elektrisch rijden financieel aantrekkelijk maken? Neem contact met ons op voor een vrijblijvend adviesgesprek.