Hoe verschilt de HBE systematiek van het nieuwe ERE systeem?

Het HBE-systeem (Hernieuwbare Brandstof Eenheden) is per 1 januari 2026 vervangen door het ERE-systeem (Energie-eenheden voor Rijdend vervoer). Het grootste verschil is dat het ERE-systeem breder is opgezet: het omvat niet alleen wegvervoer, maar ook binnenvaart, zeevaart en deels luchtvaart, en werkt met een ketenemissiereductiedoelstelling in plaats van een energieaandeelverplichting. Voor bedrijven die actief zijn in transport en duurzame mobiliteit betekent deze overgang concrete veranderingen in hoe zij hernieuwbare energie registreren, verhandelen en rapporteren. In dit artikel beantwoorden we de meest gestelde vragen over de overgang van HBE naar ERE.

Wat zijn de belangrijkste verschillen tussen HBE en ERE?

Het ERE-systeem verschilt van het HBE-systeem op vier kernpunten: de reikwijdte, de berekeningsgrondslag, de sectoren die verplicht zijn en de manier waarop eenheden worden gespaard. Waar HBE’s uitsluitend betrekking hadden op wegvervoer en een energieaandeelverplichting kenden, werkt ERE met een ketenemissiereductiedoel en bestrijkt het meerdere transportsectoren.

Concreet zijn de belangrijkste verschillen:

  • Berekeningsgrondslag: HBE’s waren gekoppeld aan een verplicht aandeel hernieuwbare energie in het wegvervoer. Dat aandeel steeg van 17,9% in 2022 naar 29,4% in 2025. ERE’s zijn gebaseerd op een ketenemissiereductiedoelstelling van 14,5%, conform de Europese RED III-richtlijn.
  • Sectoren: Het HBE-systeem richtte zich uitsluitend op wegvervoer. Het ERE-systeem omvat ook binnenvaart, zeevaart en deels de luchtvaart, hoewel de luchtvaart niet langer zelfstandig kan inboeken.
  • Eenheidsberekening: Bij HBE’s werd gewerkt met een vaste reductiebijdrage per eenheid (45 kg CO2-eq per HBE in 2022, oplopend naar 47 kg in 2025 en 2026). ERE’s worden berekend op basis van het netgemiddeld hernieuwbaar aandeel, dat voor 2026 is vastgesteld op 50,5%.
  • Spaarlimiet: In het ERE-systeem geldt een expliciete spaarlimiet. Een saldo van 45.000 ERE’s of minder kan altijd worden gespaard. Daarboven mag een inboeker maximaal 4% van de in het afgelopen jaar bijgeschreven ERE’s sparen, en een verplichtinghouder maximaal 10% van zijn verplichting. ERE’s boven de spaarlimiet vervallen automatisch op 1 april.
  • Wettelijk kader: Het ERE-systeem is verankerd in het vernieuwde Besluit energie vervoer (geldend vanaf 1 januari 2026) en de bijbehorende Regeling energie vervoer, als uitwerking van RED III.

De omrekening van gespaarde HBE’s naar ERE’s verliep via een vastgestelde omrekenfactor, waarbij de HBE-reductiebijdrage van 47 kg/HBE als grondslag diende.

Hoe werkt het ERE-systeem in de praktijk?

In de praktijk werkt het ERE-systeem via een registratiesysteem bij de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa), waarbij leveranciers van hernieuwbare energie voor vervoer ERE’s bijgeschreven krijgen op hun rekening. Verplichtinghouders moeten jaarlijks voldoende ERE’s op hun rekening hebben om aan hun emissiereductiedoelstelling te voldoen.

Het proces verloopt in drie stappen met vaste jaarlijkse deadlines:

  1. Registreren voor 1 maart: Brandstofleveringen en elektriciteitsleveringen voor vervoer moeten voor 1 maart van het opvolgende jaar zijn geregistreerd bij de NEa. Deze deadlines gelden voor het eerst in 2027 over de leveringen van 2026.
  2. ERE’s op rekening voor 1 april: Verplichtinghouders moeten voor 1 april voldoende ERE’s op hun rekening hebben staan om aan de jaarafsluiting te voldoen. ERE’s boven de spaarlimiet vervallen op diezelfde datum automatisch.
  3. Verificatie voor 1 mei: De inboekverificatie door een geaccrediteerde, onafhankelijke verificateur moet voor 1 mei zijn ingediend. Ontbreekt deze verificatie, dan kan de NEa overgaan tot ambtshalve vaststelling.

Voor het inboeken van elektriciteit geldt een drempelwaarde van minimaal 2 miljoen kWh per jaar om zelfstandig te mogen inboeken. Bedrijven die onder deze drempel blijven, boeken in via een erkende inboekdienstverlener. Begin 2026 waren circa 21 inboekdienstverleners geregistreerd bij de NEa.

De berekening van ERE’s uit elektriciteit werkt als volgt: voor netstroom levert 2.000 kWh in 2026 circa 666 ERE-E op, gebaseerd op het netgemiddeld hernieuwbaar aandeel van 50,5% voor dat jaar. Wie beschikt over 100% hernieuwbare stroom op dezelfde leveringslocatie kan de volledige hoeveelheid laten meetellen, mits aan de vereisten voor een Garantie van Oorsprong wordt voldaan.

Kunnen bedrijven tegelijkertijd HBE’s en ERE’s genereren?

Nee, bedrijven kunnen niet tegelijkertijd HBE’s en ERE’s genereren. Het HBE-systeem is per 1 januari 2026 volledig vervangen door het ERE-systeem. Gespaarde HBE’s zijn via een vastgestelde omrekenfactor omgezet naar ERE’s, waarna het HBE-register is gesloten.

Wat wel mogelijk is, is dat bedrijven ERE’s genereren in meerdere sectoren tegelijkertijd. Het ERE-systeem is opgedeeld in sectoren: land, binnenvaart en zeevaart. ERE’s worden per sector gespaard en ingezet. Voor het RFNBO-subdoel in de sector land mogen geen ERE’s uit andere sectoren worden ingezet, maar voor zee- en binnenvaart is onderlinge inzet wel toegestaan.

Bedrijven die in 2025 nog actief HBE’s spaarden, hoefden niet opnieuw te beginnen: de omrekening naar ERE’s verliep automatisch op basis van de vastgestelde omrekenfactor, waarbij de HBE-reductiebijdrage van 47 kg CO2-eq per HBE als grondslag diende.

Wat betekent de overgang naar ERE voor transportbedrijven?

Voor transportbedrijven betekent de overgang naar het ERE-systeem in de eerste plaats een bredere administratieve verplichting en tegelijkertijd een grotere kans om waarde te genereren uit elektrische voertuigen en laadinfrastructuur. De systematiek verandert, maar de kern blijft: wie hernieuwbare energie levert voor vervoer, bouwt een verhandelbare positie op in het systeem.

Concreet verandert er het volgende voor transportbedrijven:

  • Nieuwe meetsystemen: Vanaf 2026 moet de meter zich op de laadpaal bevinden en MID-gecertificeerd zijn conform de Metrologiewet. Voor bestaande situaties met een MID-meter buiten de laadpaal geldt een overgangsperiode in 2026, maar per 1 januari 2027 is dit niet meer toegestaan.
  • Mobiele machines tellen mee: Vanaf 2026 kunnen ook elektrische mobiele bouwmachines worden ingebracht in de sector land. Dit is relevant voor transportbedrijven en wegenbouwers die hun materieelpark elektrificeren.
  • Hogere drempelwaarden: De drempel van 2 miljoen kWh per jaar voor zelfstandig inboeken is gehandhaafd. Transportbedrijven met een groeiend e-truckpark kunnen deze drempel sneller bereiken dan verwacht.
  • Aansprakelijkheid bij inboekdienstverleners: Als een transportbedrijf via een inboekdienstverlener werkt, is die dienstverlener aansprakelijk voor foutieve inboekingen, niet het transportbedrijf zelf.

Voor de transportsector geldt bovendien dat de overgang naar ERE samenvalt met een versnellende elektrificatiegolf van vrachtwagenparken. De businesscase voor e-trucks wordt mede bepaald door de ERE-opbrengsten die worden gegenereerd bij het laden van elektrische voertuigen.

Hoe beïnvloedt het ERE-systeem de businesscase voor elektrisch rijden?

Het ERE-systeem versterkt de businesscase voor elektrisch rijden doordat bedrijven die elektriciteit leveren voor vervoer ERE’s kunnen genereren en verhandelen. Deze ERE’s vertegenwoordigen een financiële waarde die de totale kosten van elektrisch rijden drukt, vergelijkbaar met hoe HBE’s eerder de businesscase voor elektrische voertuigen verbeterden.

De waarde van ERE’s hangt af van vraag en aanbod op de markt. Verplichtinghouders, zoals grote brandstofhandelaren, zijn verplicht jaarlijks voldoende ERE’s in te leveren. Dat creëert een structurele vraag naar ERE’s van partijen die elektriciteit leveren aan voertuigen, zoals bedrijven met laadpleinen, openbare laadlocaties of thuislaadoplossingen voor medewerkers.

Voor bedrijven met 100% hernieuwbare stroom op de leveringslocatie is de opbrengst hoger dan bij netstroom, omdat het volledige kWh-volume meetelt zonder de correctie voor het netgemiddeld hernieuwbaar aandeel. Dit maakt investeringen in zonne-energie op het eigen terrein, gecombineerd met laadinfrastructuur, extra aantrekkelijk vanuit een ERE-perspectief.

Tegelijkertijd geldt dat de spaarlimiet in het ERE-systeem strategisch plannen vereist. ERE’s boven de limiet vervallen automatisch op 1 april, waardoor het loont om de timing van inboeken en verkopen goed te bewaken.

Hoe NXT Mobility helpt met de overgang van HBE naar ERE

De overgang van het HBE-systeem naar ERE brengt nieuwe verplichtingen, technische vereisten en kansen met zich mee. Wij begeleiden organisaties door dit hele traject, van de eerste analyse tot en met de jaarlijkse verificatie. Onze diensten voor duurzame mobiliteit omvatten:

  • Onafhankelijk advies over de ERE-systematiek en wat die betekent voor jouw specifieke situatie
  • Begeleiding bij het registreren en inboeken van elektriciteitsleveringen via het NEa-systeem
  • Installatie van MID-gecertificeerde laadpalen die voldoen aan de meetvereisten van 2026 en 2027
  • Volledige ontzorging van de administratie, verificatieverplichtingen en deadlines
  • Advies over hoe je de ERE-opbrengsten maximaal benut als onderdeel van de bredere businesscase voor elektrisch rijden

Of je nu een transportbedrijf bent dat e-trucks wil laden, een locatie-eigenaar die een laadplein overweegt of een werkgever die thuisladers voor medewerkers wil regelen: wij zorgen dat de overgang naar ERE soepel verloopt en financieel rendabel is. Neem contact op voor een vrijblijvend adviesgesprek.

Veelgestelde vragen

Wat gebeurt er als ik de deadline van 1 april mis en ERE's boven de spaarlimiet heb staan?

ERE’s die op 1 april boven de spaarlimiet uitkomen, vervallen automatisch en zonder compensatie. Je kunt dit voorkomen door tijdig een deel van je ERE-saldo te verkopen aan verplichtinghouders vóór de vervaldatum. Het loont dus om je saldo actief te monitoren en een verkoopstrategie te plannen ruim vóór 1 april, zodat je geen waarde laat liggen.

Hoe weet ik of mijn huidige laadpalen voldoen aan de MID-certificeringsvereisten voor 2027?

Controleer of de meter zich fysiek op de laadpaal bevindt én of deze MID-gecertificeerd is conform de Metrologiewet. Bevindt de meter zich buiten de laadpaal, dan is dit in 2026 nog toegestaan via een overgangsregeling, maar per 1 januari 2027 niet meer. Laat een technische beoordeling uitvoeren door een gecertificeerde installateur om zeker te zijn van compliance vóór de deadline.

Kan ik als kleine onderneming ook profiteren van het ERE-systeem, of is dat alleen weggelegd voor grote partijen?

Kleine ondernemingen kunnen zeker profiteren, maar zij boeken in via een erkende inboekdienstverlener als hun elektriciteitsleveringen onder de drempelwaarde van 2 miljoen kWh per jaar blijven. De inboekdienstverlener neemt de administratieve en aansprakelijkheidsverplichtingen op zich, waardoor ook kleinere bedrijven zonder zware compliance-last ERE’s kunnen genereren en verhandelen.

Hoe bepaal ik of het financieel zinvol is om te investeren in 100% hernieuwbare stroom op mijn laadlocatie?

Het voordeel van 100% hernieuwbare stroom op de leveringslocatie is dat het volledige kWh-volume meetelt voor ERE’s, zonder de correctie voor het netgemiddeld hernieuwbaar aandeel van 50,5%. Dit kan de ERE-opbrengst per kWh bijna verdubbelen ten opzichte van netstroom. Bereken de meeropbrengst op jaarbasis op basis van je verwachte laadvolume en zet dit af tegen de investering in bijvoorbeeld zonnepanelen; in veel gevallen is de terugverdientijd aanzienlijk korter dan zonder ERE-inkomsten.

Mijn bedrijf opereert zowel in het wegvervoer als in de binnenvaart. Hoe werkt het ERE-systeem voor gecombineerde activiteiten?

Het ERE-systeem is opgedeeld in de sectoren land, binnenvaart en zeevaart, en je kunt in meerdere sectoren tegelijk ERE’s genereren. Belangrijk om te weten is dat ERE’s voor het RFNBO-subdoel in de sector land niet uitgewisseld mogen worden met andere sectoren, maar voor binnenvaart en zeevaart is onderlinge inzet wel toegestaan. Zorg er bij je administratie voor dat je ERE’s per sector correct registreert om aan de sectorspecifieke verplichtingen te voldoen.

Wat zijn de meest voorkomende fouten die bedrijven maken bij de overgang naar het ERE-systeem?

De meest voorkomende fouten zijn: te laat registreren bij de NEa waardoor de deadline van 1 maart wordt gemist, werken met een niet-MID-gecertificeerde meter op de verkeerde locatie, en onvoldoende aandacht voor de spaarlimiet waardoor ERE’s automatisch vervallen. Daarnaast onderschatten bedrijven regelmatig hoe snel hun laadvolume de drempelwaarde van 2 miljoen kWh kan naderen, waardoor zij onnodig lang via een inboekdienstverlener blijven werken terwijl zelfstandig inboeken winstgevender kan zijn.

Hoe verloopt de verificatieplicht in de praktijk en wat zijn de gevolgen als ik die niet op tijd indien?

De inboekverificatie moet vóór 1 mei worden ingediend door een geaccrediteerde, onafhankelijke verificateur. Dien je deze niet op tijd in, dan kan de NEa overgaan tot ambtshalve vaststelling, wat betekent dat de NEa zelf een oordeel vormt over je inboekingen — mogelijk in jouw nadeel. Schakel daarom tijdig een geaccrediteerde verificateur in, bij voorkeur al vroeg in het eerste kwartaal, zodat er voldoende ruimte is voor eventuele correcties vóór de deadline.