Hoe verloopt de overgang van HBE naar ERE?
De overgang van HBE naar ERE is per 1 januari 2026 een feit. Het HBE-systeem (Hernieuwbare Brandstofeenheden, gebaseerd op RED II) is vervangen door het ERE-systeem (Emissiereductie-eenheden, gebaseerd op RED III), waarbij de sturing niet langer draait om de hoeveelheid geleverde hernieuwbare energie, maar om de CO2-ketenemissiereductie van brandstoffen. Voor bedrijven die elektrische voertuigen rijden en HBE’s genereerden via thuisladen of bedrijfslaadpalen, verandert er het nodige in de manier waarop eenheden worden berekend, geregistreerd en verhandeld. Dit artikel beantwoordt de meest gestelde vragen over de overgang van HBE naar ERE.

Wat verandert er concreet voor bedrijven met de nieuwe ERE-systematiek?
Met de invoering van het ERE-systeem per 1 januari 2026 verschuift de meetmethode fundamenteel: waar het HBE-systeem rekende in gigajoules hernieuwbare energie, rekent het ERE-systeem in CO2-ketenemissiereductie. Dat klinkt technisch, maar heeft directe gevolgen voor het aantal eenheden dat een bedrijf genereert en hoe die eenheden mogen worden ingezet.
Een van de meest ingrijpende veranderingen is de invoering van sectorsturing. Het ERE-systeem is opgedeeld in drie sectoren: land (wegvoertuigen, spoor, mobiele machines en vaste installaties), binnenvaart en zeevaart. ERE’s zijn in beginsel alleen inzetbaar binnen de sector waarin ze zijn gegenereerd. Dit voorkomt de prijsdruk die in het HBE-systeem ontstond doordat grote volumes uit de scheepvaartsectoren de markt voor wegvervoer beïnvloedden. Voor bedrijven in het wegvervoer betekent dit meer stabiliteit en voorspelbaarheid in de waarde van gegenereerde eenheden.
Verder gelden er nieuwe deadlines. De drie verplichte handelingen per jaar zijn:
- Brandstofleveringen registreren vóór 1 maart
- Voldoende ERE’s op rekening hebben vóór 1 april (jaarafsluiting)
- Verificatie geregistreerd hebben vóór 1 mei
Deze deadlines gelden voor het eerst in 2027, over de leveringen van 2026. Ook de MID-certificeringseis voor meters is aangescherpt: vanaf 2026 moet de meter zich in de laadpaal bevinden en MID-gecertificeerd zijn. Voor bestaande situaties met een meter buiten de laadpaal geldt een overgangsperiode in 2026, maar per 1 januari 2027 is dit niet meer toegestaan.
Wat is het verschil tussen HBE en ERE?
Het kernverschil tussen HBE en ERE zit in de grondslag van de meting. Een HBE vertegenwoordigde 1 gigajoule (GJ) hernieuwbare energie geleverd aan de Nederlandse vervoersmarkt. Een ERE vertegenwoordigt een eenheid CO2-ketenemissiereductie, gemeten van productie tot verbranding van de brandstof of energiedrager.
In het HBE-systeem telde de hoeveelheid hernieuwbare energie die werd geleverd. In het ERE-systeem telt hoeveel CO2 er over de hele keten wordt bespaard ten opzichte van een fossiele referentiewaarde. Dit heeft gevolgen voor welke brandstoffen en energiedragers aantrekkelijk zijn om in te boeken, en voor de relatieve waarde van verschillende eenheden.
Soorten eenheden: van vier naar zes
Het HBE-systeem kende vier categorieën: HBE-Geavanceerd (G), HBE-Conventioneel (C), HBE-Bijlage IXb (B) en HBE-Overig (O). Het ERE-systeem werkt met zes typen eenheden:
- ERE-G (geavanceerd): biobrandstoffen uit afval en residuen
- ERE-C (conventioneel): biobrandstoffen uit landbouw- en energiegewassen
- ERE-B (bijlage IXb): onder andere gebruikt frituurvet en dierlijk vet
- ERE-O (overig): overige hernieuwbare brandstoffen
- ERE-R (RFNBO): hernieuwbare waterstof en e-fuels
- ERE-E (elektriciteit): elektriciteit geleverd aan voertuigen
Sectorcodes en inzetbaarheid
Naast het type eenheid geldt ook een sectorcode: LRE (land), BRE (binnenvaart) of ZRE (zeevaart). ERE-E kan uitsluitend worden ingezet in de sector van herkomst. Dit is een wezenlijk verschil met het HBE-systeem, waar eenheden uit de scheepvaart de markt voor wegvervoer konden beïnvloeden.
Hoe worden ERE’s berekend en gegenereerd?
ERE’s uit elektriciteit worden berekend op basis van de geleverde kilowatturen, het netgemiddeld hernieuwbaar aandeel en een vaste emissiefactor. Voor netstroom in 2026 luidt de formule: aantal ERE-E = levering (kWh) × 0,505 × 183 (g/MJ) × 3,6 (MJ/kWh) ÷ 1.000. Voor 100% hernieuwbare stroom vervalt de factor 0,505 en wordt de volledige 183 g/MJ gehanteerd.
Een concreet rekenvoorbeeld van de NEa: 2.000 kWh netstroom in 2026 levert 2.000 × 0,505 × 183 × 3,6 ÷ 1.000 = 666 ERE-E op. Het netgemiddeld hernieuwbaar aandeel van 50,5% voor 2026 is gebaseerd op het Nederlandse aandeel hernieuwbare elektriciteit in 2024, twee jaar vóór het leverjaar.
Volledig hernieuwbare beloning is mogelijk wanneer de opwek plaatsvindt op dezelfde leveringslocatie (binnen hetzelfde WOZ-object) of via een directe lijn van opwek- naar leverlocatie. Beide scenario’s vereisen een Garantie van Oorsprong niet-netlevering, overgeboekt naar het NEa-account, zonder exploitatiesubsidie. Elektriciteit uit biomassa of biogas telt niet als 100% hernieuwbaar.
Particulieren kunnen uitsluitend deelnemen via een erkende inboekdienstverlener. Voor thuisladers geldt altijd het netgemiddelde als hernieuwbaar aandeel, ook bij aanwezige zonnepanelen, omdat eigen opwek voor particulieren niet aantoonbaar is. Bedrijven die meer dan 2 miljoen kWh per jaar leveren, mogen zelfstandig inboeken; kleinere bedrijven werken ook via een inboekdienstverlener.
Kunnen bedrijven ERE’s nog steeds verkopen en wat zijn ze waard?
Ja, bedrijven kunnen ERE’s nog steeds genereren en verhandelen op de markt. Net als bij HBE’s kunnen organisaties die meer eenheden genereren dan ze zelf nodig hebben, deze verkopen aan partijen met een verplichte inlevertaak. De marktwaarde van ERE’s wordt bepaald door vraag en aanbod, de hoogte van de sectorpercentages en de beschikbare volumes per sector.
De sectorpercentages geven een goed beeld van de groeiende vraag. Voor de sector land geldt in 2026 een CO2-ketenemissiereductieverplichting van 14,4%, oplopend naar 27,1% in 2030. Hoe hoger de verplichting, hoe groter de vraag naar ERE’s en hoe hoger de potentiële marktwaarde.
Voor het sparen van ERE’s gelden wel limieten. Een saldo van 45.000 ERE’s of minder kan altijd worden gespaard. Daarboven geldt: een inboeker mag maximaal 4% van de in het afgelopen jaar bijgeschreven ERE’s sparen, een verplichtinghouder maximaal 10% van zijn verplichting. De hoogste van deze drie opties is van toepassing. ERE’s boven de spaarlimiet vervallen automatisch op 1 april. Sparen geschiedt per sector, wat betekent dat LRE’s en ZRE’s afzonderlijk worden beoordeeld.
De commissie die een inboekdienstverlener rekent, ligt marktbreed ruwweg tussen de 15 en 25%. De exacte vergoeding is contractueel en marktafhankelijk. Een machtiging geldt voor minimaal één heel kalenderjaar; overstappen naar een andere aanbieder is pas mogelijk vanaf het volgende kalenderjaar.
Wat moeten bedrijven nu doen om klaar te zijn voor ERE?
Bedrijven die al deelnamen aan het HBE-systeem moeten hun processen aanpassen aan de nieuwe ERE-vereisten. De belangrijkste acties zijn het controleren van de metercertificering, het regelen van een geldige machtiging bij een inboekdienstverlener en het bijhouden van de nieuwe jaarlijkse deadlines. Wie dit goed organiseert, profiteert optimaal van de financiële opbrengst van gegenereerde ERE’s.
Concreet betekent dit:
- Controleer uw laadpaalmeters: De meter moet MID-gecertificeerd zijn en zich in de laadpaal bevinden. Bestaande situaties met een meter buiten de laadpaal hebben nog overgangsruimte in 2026, maar moeten vóór 1 januari 2027 worden aangepast.
- Regel een machtiging bij een inboekdienstverlener: Bedrijven die minder dan 2 miljoen kWh per jaar leveren, moeten via een erkende dienstverlener inboeken. Begin 2026 waren circa 21 inboekdienstverleners bij de NEa geregistreerd.
- Houd de nieuwe deadlines bij: Registreer leveringen vóór 1 maart, zorg voor voldoende ERE’s vóór 1 april en dien de verificatie in vóór 1 mei. De eerste cyclus loopt over leveringen van 2026, met deadlines in 2027.
- Beoordeel of 100% hernieuwbare beloning haalbaar is: Als uw organisatie opwek en levering op dezelfde locatie combineert, kan dit de opbrengst per kWh aanzienlijk verhogen.
- Volg de actuele NEa-sectorpagina’s: De sectorpercentages kunnen worden bijgesteld door tijdelijke mitigerende maatregelen van het ministerie van IenW. Raadpleeg de NEa regelmatig voor de meest actuele verplichtingen.
Hoe NXT Mobility u helpt bij de overgang van HBE naar ERE
De overgang van HBE naar ERE brengt nieuwe regels, deadlines en technische vereisten met zich mee. Wij begrijpen dat dit voor veel organisaties complex en tijdrovend is. Als gespecialiseerde inboekdienstverlener voor elektriciteit ontzorgen wij u volledig in dit proces, van begin tot eind.
Wat wij voor u regelen:
- Registratie en inboeking van uw elektriciteitsleveringen in het Register Energie voor Vervoer (REV)
- Controle op MID-certificering van uw laadpaalmeters en advies over aanpassingen waar nodig
- Verwerking van de jaarlijkse verificatie en bewaking van alle deadlines
- Maximaliseren van uw ERE-opbrengst, inclusief beoordeling van de mogelijkheid voor 100% hernieuwbare beloning
- Transparante vergoedingsafspraken en heldere rapportages over gegenereerde en verhandelde ERE’s
- Strategisch advies over wagenparkelectrificatie en de financiële business case van elektrisch rijden
Of u nu één locatie heeft of een uitgebreid wagenpark beheert, wij maken de ERE-systematiek werkbaar en winstgevend voor uw organisatie. Neem contact met ons op voor een vrijblijvend adviesgesprek en ontdek wat de overgang van HBE naar ERE voor uw specifieke situatie betekent.